Van achter de schermen

2. P. Scharoff

WEL zelden is de pers zoo eenstemmig in haar lof geweest als na de opvoeringen van het Moskouer Künstler Theater. Reden voldoende om deze zoo lang onderbroken tooneel-interviews voort te zetten met een gesprek, gevoerd met Pjotr Scharoff, den directeur en regisseur van genoemd gezelschap, daarbij tevens een van de beste acteurs aan dit theater verbonden; wie eenmaal zijn Lioebim-creatie zag in ‘Armoede is geen schande’, dit aandoenlijk, teeder blijspel, vergeet zijn stil en rustig spel, voor ons levend al konden wij dan ook geen woord verstaan, niet licht.



illustratie
A. Viroubow

Hij schreef mij dat hij mij ontvangen zou. Een vroegen, regenachtigen morgen bevond ik mij op de afgesproken plaats: de conversatie-zaal van een der Haagsche hotels. Het licht draalde aarzelend door de ruiten, en deze grauwe, schemerende kleuren brachten in een anders zoo ‘unheimisch’ oord als een hotel-zaal op een vroegen morgen, een aangename, bijna intieme sfeer.

Hij is niet groot deze Scharoff, deze leider van een zoo subliem geschoolde, gedisciplineerde troep als het Moskouer Künstler Theater. Maar toen hij een tijdje tegenover mij zat aan de kleine tafel en hij eenige woorden had gesproken, zijn verontschuldigingen aanbood voor zijn slecht Duitsch, de eenige taal, waarin wij ons konden verstaan, want Fransch sprak hij niet, kon ik mij toch wel voorstellen dat hij een grooten invloed heeft op zijn menschen, niet door dictatoriale bevelen, heersch-

[p. 78]

zuchtige handelingen, maar door de zachte, doch sterke, overtuiging die bijna in iederen zin dien hij spreekt klinkt, door zijn geestelijk overwicht, door zijn diep en vast-geworteld idealisme. Want deze mensch is een idealist van top tot teen, een houding, die den meesten theater-directeuren (wat zegt u, nièt in Holland?) niet bijster vertrouwd is.

Het is waar wat hij zeide: dat hij het Duitsch niet volledig machtig is, maar ik betreur het niet, integendeel: deze weifelend gesproken woorden hooren bijna bij hem, zij vallen niet uit den toon, zij geven bekoring, ik schreef bijna wijding, aan den zin zijner woorden.

Ik vroeg hem naar de ontwikkeling van het Russisch tooneel, en met diepen eerbied noemde hij den naam van zijn leermeester: Stanislawsky.

‘Stanislawsky is mijn leermeester geweest en is het nòg, al zijn we nu al bijna acht jaar, in Juni wordt het acht jaar, weg uit Rusland. Wij werken in zijn geest verder, omdat we niet anders kunnen, we zijn daarvan doordrenkt. Men spreekt heden ten dage, vooral in modern georiënteerde kringen, wel eens wat smalend over zijn arbeid. Men noemt het uit den tijd dit “überspitztes Psychologisieren”, maar hoeveel menschen hebben wij er niet mee ontroerd, vroeger en ook nù nog, om ons zelf niet te vergeten. Hij was “fabelhaft” als regisseur. Stelt u zich eens voor, wij repeteerden soms twee jaar aan één stuk voor het tot een opvoering kwam. Absoluut vertrouwd moest ons onze rol zijn. Wij werden in zoo'n tijd een ander mensch. Een andere geest nam ons in bezit en de woorden die wij moesten spreken, de daden die wij moesten doen, al was het dan ook maar op een tooneel, kwamen uit ons zelf, waren een bezit van ons, waren onvoorwaardelijk ons geestelijk eigendom. Men heeft ons verweten dat deze wijze van spelen onherroeplijk dòod moest loopen, moest verkwijnen en sterven aan haar eigen raffinement. Maar kan iets sterven dat zoo'n lèvend deel van de ziel uitmaakt? Altijd is het weer anders, en de kenner weet en voelt, dat, misschien ondanks schijnbare overeenkomsten, ieder stuk ‘einen neuen Geist atmet’, dat ons spel onder zijn regie wisselend werd als het leven zelf, en daarom niet vergaan kàn, nu niet en nòoit.

Zeker! Er zijn ook andere stroomingen, maar Stanislawsky wordt in Rusland nog altijd vereerd.

Mayerhold, Wachtangow, Tairow, Foregger. Daar hebt u een paar, u waarschijnlijk niet geheel en al onbekende, namen. Ook Mayerhold is een leerling van hem. Wachtangow eveneens. Deze laatste heeft prachtige dingen gepresteerd, zooals in ‘Ha Dybuk’ en in ‘Prinzessin Turandot’. Van hetzelfde standpunt ging Tairow, mijn collega, uit, alleen vergrootte hij alles, hij was onze expressionist.

De belangrijkste figuur is voorzeker Mayerhold. Hij is in hart en nieren een bolsjewist en tracht dan ook vanaf het tooneel voor zijn politieke richting, die hem natuurlijk de eenig juiste lijkt, propaganda te voeren. Zoo mankeerde m.i. in zijn eerste experimenten wel eens het aesthetische element. Een enorm werker overigens! Dikwijls schreef hij zelf den tekst.



illustratie
Mlle. Kryanowskaia

Wat u vraagt is geloof ik niet het geval geweest. Deze tooneel-propaganda heeft geen wezenlijken invloed uitgeoefend op het publiek. Daarvoor komen de menschen toch ten slotte niet naar het theater, dan kan men immers veel beter naar de politieke vergaderzalen gaan!

Maar ik zei u al, ik heb ondanks alles het diepste respect voor Mayerholds kunnen, alleen het blijven zoo menigmaal experimenten en ook op het tooneel maakt men maar niet zoo een revolutie, en men voert deze zeker niet tot een goed einde, wanneer men niet steunt op een hechte traditie. All das Experimentieren ins blaue hinein! - Neen, zoolang wij nu al weg zijn vanonder Stanislawsky zijn er, hoe zonderling u dit misschien ook vindt, geen wezenlijke veranderingen in onze tooneelopvattingen gekomen. Wij moeten ons natuurlijk wel meer bekrimpen en kunnen niet rekenen op groote subsidies van regeeringswege, maar het karakter van ons spel bleef hetzelfde. Wij hebben eenmaal dezen leermeester gekozen en blijven hem trouw, omdat we niet anders kùnnen. Ook wij repeteeren, ondanks de vermoeienissen en beslommeringen van ons zwervend bestaan, minstens zes maanden voor wij een stuk voor het voetlicht durven brengen. Een souffleur kennen wij niet en we hebben hem ook niet noodig, het is immers een deel van ons eigen leven wat zich daar voltrekt, en dat behoeft ons niet voorgezegd te worden. - Maar denkt u toch vooral niet dat wij alleen realistische, of liever naturalistische stukken opvoeren. Ik verzeker u dat Germanowa's regie in klassieke tragediën, die wij ook spelen, vreemd blijft van dergelijke elementen!

Neen, de revolutie bracht ons niet een nieuwe tooneelliteratuur. Wij zijn nog altijd aangewezen op de stukken van tientallen jaren terug. Wel gaf zij ons enkele nieuwe dichters. Hoorde u nooit de namen: Alexander Block, en Achmatowa, om den jong ge-

[p. 79]

storven Jessenin niet te vergeten. Echter ik ben te weinig thuis op dit gebied dan dat ik mij er een oordeel over zou aanmatigen. -

Plannen? Wij gaan naar België eerst, dan naar Londen, maar vóor wij ons ‘verabschieden’ zegt u dan nog in uw blad, en dit zonder u te willen vleien, dat wij nergens een zoo belangstellend publiek vonden als in Holland. Mag ik er even op doorgaan? Wij leeren een land eigenlijk nooit goed en grondig kennen. Wij zien van achter de ruiten der spoorweg-coupé's. De ziel blijft ons vreemd. Maar dit heeft ons allen zèer getroffen: het geduld, de volkomen aandacht waarmede uw landgenooten luisterden, uren-lang, naar een taal die zij niet begrepen. Nu, werkelijk, nergens hebben wij dat zoo ondervonden. Berlijn, ach, het Duitsche publiek blijft altijd stijf en ingehouden, alleen Boeda-Pest, dat leek er een beetje op. Uw volk moet een breede belangstelling hebben ook voor dingen die van over de grens komen. (Tè breed dacht ik even). Voor eenige dagen waren wij in Leiden, en vindt u dat niet aardig - in een ouden jaargang van ‘het Tooneel’, heet het niet zoo? dat wij in de foyer doorbladerden, misschien al wel een jaargang van 10 jaar terug, vonden wij eensklaps onze eigen portretten. Dus ook toen al was voor ons gezelschap hier interesse! Wunderbar! Een beter publiek kan men zich niet wenschen, het is dood-stil en zelfs wij die, eenmaal op de planken staande, gansch en met onze geheele ziel ons geven aan het gebeuren, dat in ons en aan ons geschiedt, voelen het mee-beleven van de toeschouwers, de gespannenheid waarmee zij ieder woord en gebaar volgen. Het is ons een groote vreugde voor een dergelijk publiek te mogen spelen en wij zijn het er oprecht dankbaar voor. -

Wij namen afscheid; zij die jammeren over de oppervlakkigheid van het hollandsch publiek, geef ik deze woorden ter ernstige overweging.

 

JAN R.Th. CAMPERT