Peter Rosegger
De volksdichter van Stiermarken, en het Rosegger-museum te Krieglach

MET Peter Rosegger verloor, in 1918, de wereldliteratuur een oorspronkelijke en aantrekkelijke figuur. Volksdichter was Rosegger in den edelsten zin van het woord. Hij zocht niet het volk om daaraan zijne schetsen te ontleenen; het volk zelf en zijn leven gaven hem scheppingskracht en drang. Al veroorloofden zijne financieele omstandigheden hem ruimschoots om des winters in Graz een ruim huis te betrekken en des zomers verblijf te houden in het door hem zelf gebouwd zomerhuis in zijn geboorteplaats Krieglach - hij liet zich nauwelijks door de eischen zijner gezondheid dwingen om geheel den winter in Graz te blijven en was dikwerf reeds in het gure voorjaar in het kleine dorpje, waaraan de herinneringen hem bonden. Hij hield van Stiermarken en van zijn volk; hij leefde enkel en alleen dan, wanneer hij de bergen van Stiermarken weer zag en boven op deze bergen de frissche lucht inademde. Heimwee van de beste soort heeft zich bij hem altijd geopenbaard, wanneer hij ver van zijn land vertoefde. Hij is tot aan het einde een echt zoon van het echte Stiermarken gebleven, en wie wil reizen in dit mooie land, temidden van dit eigenaardige, natuurgetrouwe volk, kan niet beter doen dan zich tevoren verdiepen in de verhalen, die hij aan Stiermarken en zijne overleveringen heeft gewijd. Wie Rosegger's boeken kent, zal van een reis door Stiermarken dubbel genot hebben; telkenmale zal hij op bekende plaatsen komen, en tafereelen, door Rosegger's pen vereeuwigd, voor zich zien afspelen.

Peter Rosegger's leven is geheel dat van den werkelijken volksdichter. Het schijnt een sprookje, waarin de deugd beloond en het bijna onmogelijke bereikt wordt. Sprookje ook, omdat de gelukkige, die met vele gaven van de natuur werd toegerust, den ouden eenvoud heeft bewaard tot aan den laatsten dag, en elken dag, niet door woorden, maar door daden, de erkentenis heeft gegeven dat niet hij, maar hoogere machten zijn geluk hadden bewerkt. Peter Rosegger toch, uit eenvoudige ouders, die intusschen eene bekende familie in Stiermarken waren, geboren, toonde zich reeds vroeg een ietwat bijzondere jongen, een zwak kind, dat geen behagen schepte in het ruwe vermaak zijner kameraden; een leergierig kind, dat het zich steeds berouwde, niet meer boeken te zijner beschikking te hebben. Toevalligerwijze geraakte hij in het bezit van een ‘Leven van Jezus Christus’, geschreven door pater Cochem; hij las het van voren naar achteren en van achteren naar voren; hij las het den huisgenooten voor, en deze vonden daarin zooveel vertroosting, dat ook de buren en kennissen er van vernamen, en al spoedig werd Peter geroepen aan de bedden der stervenden, wanneer geen priester meer te halen was. In zooverre had Peter geluk, dat juist in zijn jongenstijd de arme schoolmeester van St. Kathrein ontslagen werd en deze aan de boeren van Alpl, het gedeelte van Krieglach, waarin Peter werd geboren, voorstelde om hunne kinderen les te geven tegen vergoeding van kost en inwoning. Hoewel het schoolgaan zeer onregelmatig geschiedde, heeft Peter toch veel bij dezen meester geleerd; zooveel in elk geval dat, wanneer zijn oudere buurjongen, die in Graz op het seminarie voor priester studeerde, thuis kwam en vroolijk de boeken aan den kant gooide, hij zich

[p. 80]

van alle deze kon meester maken en erin lezen totdat de oogen hem pijn deden. In dienzelfden tijd ontstond zijn eerste literair werk; het was een volkskalender, geheel ingericht op de toen gebruikelijke wijze. Hij had er eens een gekocht van overgespaard geld; een tweeden keer ging dit niet, en toen besloot hij er een voor zichzelf te maken. Hij schreef die geheel en al met kalender en weervoorspellingen, en de storm, dien hij op Pinksteren, in afwijking van den officieelen kalender, voorspelde, kwam uit. Later evenwel schreef hij Pinksteren voor Paschen, en toen had hij als lezers voor zijn kalender niemand meer dan zichzelf!

Het is in dezen zelfden tijd, dat Peter's reis naar Weenen valt. Men denke van eene reis in dien tijd en met de toen bestaande hulpmiddelen niet te gering. Schoorvoetend dan ook slechts gaven Peter's ouders toestemming; hij had gelezen van den goeden keizer Joseph II, die voor alle zijne onderdanen als een vader zorgde, en hij wilde dien keizer zien, niet beseffende, dat hij reeds lang niet meer tot de levenden behoorde. Hij heeft die reis naar Weenen volbracht; hij is er geschilderd door een bekend Weensch portretschilder, Prof. Schön, die den armen, moeden knaap op den rand van een trottoir vond en hem uit belangstelling mee naar huis nam. Eerst tientallen jaren later heeft de professor geweten wien hij schilderde en heeft Rosegger geweten door wien zijn eerste portret was gemaakt. Den goeden keizer Joseph zag hij niet, en teleurgesteld, maar toch innig verheugd Weenen te hebben gezien, keerde hij terug. Het is eigenaardig, dat hij, die zoo aan zijn land gehecht was, den drang naar Weenen heeft behouden.

De knaap echter mocht begaafd zijn, zijne ouders zaten met hem verlegen. Voor het boerenbedrijf was hij te zwak, en de pogingen, die men aanwendde om hem kosteloos te doen studeeren, liepen op niets uit; meer dan eens bracht het heimwee hem enkele dagen later naar huis terug. Eindelijk kwam de oplossing: men vond een plaats voor hem als snijdersleerling bij Mr. Ignaz. Naar de gewoonte van die dagen trok de meester met zijne gezellen het land door om er bij de boeren te werken totdat hij hunne bestellingen had vervaardigd. Peter leerde op die manier niet alleen het kleermakersvak - een vest, dat in het Roseggermuseum te Mürzzuschlag aanwezig is, bewijst het - maar hij leerde ook zijn land kennen. En één der Zondagen dat hij thuis was en schreef, gelijk hij dat gewoon was, kwam het geluk tot hem. Het waren badgasten uit Weenen, die op den jongen opmerkzaam werden gemaakt en hem aanraadden iets van zijne gedichten in te zenden aan het landelijk blad, de ‘Grazer Tagespost’. Niet dan aarzelend gaf Peter aan dien wenk gehoor; hij zond eenige gedichten aan den hoofdredacteur van dat blad, die zeer onvolledig geadresseerd waren en hem bij toeval bereikten. Hij hoorde in geruimen tijd niets van hem; in Januari 1864 was een en ander door hem verzonden en eerst in Maart kreeg hij antwoord. Het was een brief van den kunstzinnigen hoofdredacteur Prof. Dr. Svoboda, een man die voor de ontwikkeling van menigeen veel heeft gedaan en die in Peter Rosegger onmiddellijk ontdekte den dichter bij de gratie Gods, van wien veel goeds kon worden verwacht. Hij schreef hem een briefje, waarin hij zijne gedichten prees, al erkende hij de vele fouten, die daarin aanwezig waren. Hij vroeg Peter om de manuscripten, waarnaar deze in zijn vorigen brief had verwezen, te zenden, teneinde een volledigen indruk van zijn talent te krijgen. Dat was aan geen doove ooren gezegd. Peter pakte alles wat hij bij elkander had in een groot pak, maar hoe zou hij de niet geringe portokosten betalen? Geen nood, hij vond een buurman, die den spoortrein verfoeide en liever te voet naar Graz wandelde, bereid om een ‘pakje’ mede te nemen; hoe ontstelde de trouwhartige bode toen hij dit pak van 5 K.G. op zijne schouders geladen voelde! Hoe men in de redactie van de ‘Grazer Tagespost’ heeft gekeken bij het binnenbrengen van dezen niet geringen voorraad copy, is niet bekend; dat Dr. Svoboda, wiens tijd zeer in beslag werd genomen, niet spoedig al deze manuscripten doorgelezen had, spreekt vanzelf. Maar in de ‘Grazer Tagespost’ van 13 December 1864 kan men als feuilleton vinden het eerste gedeelte van het artikel, dat hij wijdde aan den ‘Stiermarkschen volksdichter’; waarin hij verhaalde van Peter Rosegger en zijn werk, van den steun, dien deze noodig had. Dat feuilleton had gevolg!

Nog niet dadelijk begon Rosegger's literaire loopbaan. Want, eene betrekking hem door een boekhandelaar te Laibach aangeboden, vervulde hij wel korten tijd, maar opnieuw dreef het heimwee hem naar huis. Op de terugreis echter bezocht hij Dr. Svoboda, die zijn goede genius verder is gebleven; die bij vrienden, o.a. den bekenden weerprofeet Rudolph Falb, belangstelling voor hem wist te verkrijgen, tengevolge waarvan hij in staat werd gesteld onderwijs te genieten en zich te ontwikkelen. Door Dr. Svoboda kwam hij ook in aanraking met Robert Hamerling, den grooten dichter, die de eerste uitgave van Rosegger, getiteld: ‘Zitther und Hackbrett’ inleidde en uitzocht. Dit bundeltje Stiermarksche schetsen in dialect vond een zoodanige ontvangst, dat Rosegger op 26-jarigen leeftijd de literaire loopbaan voor zich geopend zag. Van dat oogenblik af was hij bekend als dichter, die zich met nieuwe boeken steeds nieuwen roem verwierf; die in zijn tijdschrift ‘Heimgarten’ de denkbeelden, welke aan zijne boeken ten grondslag lagen, verder verspreidde; die ondanks tegenslagen, in het leven

[p. 81]

ondervonden, opgewekt bleef en in steeds nieuwen arbeid vertroosting zocht. Inderdaad, leed is aan Rosegger in zijn werkzaam leven niet bespaard gebleven; ook leed, hem aangedaan door de Katholieke Kerk, die ten onrechte in hem één harer bestrijders zag.

Rosegger's werken zijn feitelijk in vier deelen te splitsen. Als eerste deel daarvan zouden wij willen noemen de grootere werken, die geleidelijk in den loop der jaren zijn ontstaan. Het eerste dezer groote werken was ‘Waldheimat’, in twee deelen verdeeld, waarin Rosegger verhaalt van zijne kinderjaren en van zijne leerjaren als snijder, een boek, waarin wij een zoodanigen rijkdom van gedachten en gevoelens vinden, dat wij alleen daardoor reeds Stiermarken en Rosegger's omgeving moeten liefkrijgen. Op ‘Waldheimat’ volgden de in drie deelen gesplitste ‘Schriften eines Waldschulmeisters’, een juweeltje van poëzie en proza, zoowel uit paedagogisch als uit literair oogpunt van groote waarde erkend, waarin de woudschoolmeester zijne gedachten laat gaan over zijne omgeving en zuivere natuurphilosophie ten beste geeft. Van zijne eigenlijke romans is ‘Heidepeters Gabriel’, die ook grootendeels uit zijn eigen leven is en van zijn eigen huwelijksgeluk verhaalt, de eerste; daarop volgden achtereenvolgens in 1883 ‘Der Gottsucher’; in 1888 ‘Jakob der Letzte’; in 1891 ‘Martin der Mann’; in 1893 ‘Peter Mayr der Wirt an der Mahr’; in 1897 ‘Das Ewige Licht’, waartegenover later valt te stellen: ‘Das Ewige Feuer’; in 1900 ‘Erdsegen’; in 1903 ‘Weltgift’, terwijl onder de boeken van den laatsten tijd vooral l.N.R.l., dat den vrede in en onder de menschen predikte, van beteekenis werd geacht.

Het is eigenaardig hoe geheel verschillend deze boeken zijn van opvatting en van inhoud. In den regel spreekt uit deze romans het pessimisme in Rosegger's karakter; wordt hierin kenbaar gemaakt zijn haat tegen het slechte in de wereld en daardoor wel eens voorbijgezien het goede, dat er onder de menschen is. Niet al deze romans hebben hem bewonderaars en vrienden bezorgd; het spiegelbeeld, dat hij in ‘Martin der Mann’, in ‘Erdsegen’ en in ‘Weltgift’ aan de wereld voorhield, werd door velen niet eerlijk geacht. ‘Peter Mayr’ is een historische roman, die den strijd van Tyrol tegen de Fransche overheersching weergaf en waarin Rosegger zich wat al te dichterlijke vrijheden met de werkelijke geschiedenis veroorloofde. Maar ook in al deze romans, hoezeer zij nauwelijks romans zijn en hoezeer de bouw veelal gebrekkig blijft, viel op te merken die groote psychologische gave van den dichter, die ons in staat stelt zijne figuren te zien als leefden zij vóor ons; die ons liefde doet gevoelen voor het Stiermarksche land en de Stiermarksche bevolking.

Een tweede gedeelte van zijn werk betreft de kleine vertellingen. Hierin ligt de groote kracht van Rosegger. Al de bundels te noemen, die hij in den loop der tijden, nadat ‘Zitther und Hackbreth’ als dialect-werk was verschenen, heeft uitgegeven, het zou ondoenbaar zijn. Wel mag hier worden herinnerd aan enkele bijzondere bundels. Het is ‘Dorfsünden’, door hem een boek met novellen genoemd; het is zijne cyclus vertellingen: ‘Als ich noch jung war’, waarin hij als 't ware zijn ‘Waldheimat’ aanvult; het zijn zijne ‘Feierabende’, waarin vroolijke en minder vroolijke verhalen elkander afwisselen; het is het ‘Geschichtenbuch des Wanderers’, waarin hij weergeeft wat hem overkomen is in berg en dal, in de wereld en in het woud; het is ook nog zijne serie: ‘Meine Ferien’, waarin hij zijne zeer afwisselende vacantiereizen beschrijft, van het oogenblik af dat hij als jongeling in de Kronprinz-Rudolphbahn een bed vond totdat hij als hooggeëerd schrijver door zijn uitgever op een Hongaarsch landgoed werd verwacht.

En ook hier, in al deze verhalen, of zij spreken van zijn kleinen of van zijn grooteren tijd, ook in deze alle treft ons zijn eenvoud van toon, van opvatting en van gevoel. Men ziet dat Stiermarksche boerenleven zich afspelen; men kan zich de personen, die Rosegger in beeld brengt, voorstellen, en wanneer men zoo straks het voornemen opvat om door Stiermarken wandelingen te ondernemen, dan is het of men in elk dorp en op elk deel van den weg bekenden moet tegenkomen, bekenden niet alleen van uiterlijk maar ook van innerlijk.

Een derde gedeelte zijner werken is te vinden in de schilderingen, die hij van land en volk en van personen geeft. Voor een deel zijn deze van literaire, voor een deel ook van literair-historische waarde. Enkele ervan spreken over het volksleven in Stiermarken, over de Alpenbewoners en het eigenaardige, dat men bij hen aantreft. Eene ervan spreekt over wandeltochten in het eigen land ondernomen en ook volbracht in den vreemde. Maar een drietal zijn er bij, die voor de geschiedenis der literatuur van beteekenis worden geacht. Een bevat persoonlijke herinneringen aan Robert Hamerling, omtrent wien ook in den ‘Heimgarten’ veel is te vinden. Een ander spreekt over ‘Mein Weltleben’ en vertelt hoe het den boerenjongen bij de lieden in de groote stad verging, spreekt van ontmoetingen die hij had en van ervaringen die hij opdeed. Een derde, getiteld ‘Gute Kamaraden’, bevat persoonlijke herinneringen aan beroemde en bekende tijdgenooten. Hierin vindt men terug zijne herinneringen aan Albert Stifter, aan Anzengruber, aan Grün, aan Rudolph Falb, aan Jakob Schmeltzer, den onvermoeiden verzamelaar van volksliederen, aan Auerbach en aan zoo talloos vele anderen. Het treft hierin, dat Rosegger van deze ‘goede kameraden’ spreekt

[p. 82]

inderdaad als van kameraden, maar toch als literatoren tegen wie hij altijd hoog heeft opgezien en wier persoonlijkheden voor hem, ook al werd hij een beroemd dichter en schrijver, persoonlijkheden zijn gebleven. Hoevelen zijn er niet, die zich al spoedig te hoog achtten voor deze vereering en meenden, dat het goede alleen bij henzelven te vinden was!

En dan is er tenslotte het vierde gedeelte, dat men werken van gemengden aard zou kunnen noemen, waarin Rosegger's ziel tot ons spreekt. Dit geschiedt in zijne gedichten van zeer uiteenloopenden aard; dit geschiedt in zijne werken voor de jeugd, waaronder ook het Duitsche geschiedenisboek; dit geschiedt in zijne ‘Bergpredigten’ en in zijn ‘Mein Himmelreich’. Het laatste doet ons ten volle zijn godsdienstig leven kennen; het andere bevat op satirische, maar in den regel toch goedmoedige, wijze zijne gedachten over het optreden jegens aardsche en wereldsche zonden. Het is hier Rosegger's goede hart, dat zich uit naast zijn scherp waarnemingsvermogen. Telkenmale, ook in zijne romans, zal men het vinden, dat hij niet de zonden wegdoezelt, maar wel de oorzaken dezer zonden verzacht. Telkenmale zal men zijn diep gevoel zien spreken ten bate van den zondaar, maar niet ter verontschuldiging van de zonde.

Het bijzondere van Rosegger's persoonlijkheid schuilt zeker niet voor het minst in den nauwen band, die er tusschen hem en zijn land aanwezig is gebleven. De aanhankelijkheid hem toegedragen is reeds tijdens zijn leven gebleken; tallooze plekken in Stiermarken zijn naar hem genoemd; verschillende steden hebben straten, die zijn naam dragen. Te Mürzzuschlag richtte één zijner vereerders een Rosegger-Museum in, dat merkwaardige curiosa bevat. Maar in Stiermarken heeft men - terecht - begrepen, dat er meer moest worden gedaan om zijn werk behouden te doen blijven. Men heeft daarom te Krieglach, in zijn geboorteplaats, gesticht een Rosegger-Verein, die zich een tweeledig doel stelt. Eenerzijds heeft deze Vereeniging te Krieglach een Museum ingericht, dat een Roseggermuseum in den uitgebreidsten zin des woords zal zijn en niet slechts alles zal bevatten wat op den dichter en zijne werken betrekking heeft, maar ook alles wat hem tot die werken heeft geïnspireerd. En daarnevens stelt de Vereeniging zich ten doel op den grondslag van Rosegger's gedachten het Stiermarksche volksleven te behouden; te arbeiden voor de beginselen, in zijn ‘Heimgarten’, die opnieuw zal worden uitgegeven, blootgelegd. Dat Roseggermuseum heeft natuurlijk voor Stiermarken en Oostenrijk in de eerste plaats beteekenis, maar ook voor allen, die in Rosegger en zijne werken belang hebben gesteld.

Vele en uitnemende vertalingen zijn er van Rosegger's werken, ook in het Hollandsch, verschenen; velen hebben genoten van zijn ‘Eeuwig Licht’ en andere werken. Allereerst zoude het zeker een aardige gedachte zijn om aan dit Roseggermuseum een volledige serie zijner in Nederland verschenen vertalingen aan te bieden, maar daarnevens zouden bijdragen, die de Vereeniging toestaan haren arbeid uit te breiden, zeker welkom zijn. Men kan tot den Roseggerverein als lid toetreden tegen eene jaarlijksche contributie van f 1.50; als stichter voor f 15. -, men heeft zich daartoe op te geven aan den Verein te Krieglach. Men kan ook eene bijdrage ineens schenken, die den Roseggerverein in staat zal stellen verder om zich heen te grijpen dan hij nu met zijn bescheiden middelen kan.

Mogen de ongetwijfeld velen, die van Rosegger's boeken hebben genoten, erkennen een kleinen plicht uit dankbaarheid te vervullen door ertoe mede te werken, dat zijn arbeid blijft voortleven bij het nageslacht!

 

H.CH.G.J. VAN DER MANDERE