H. Marsman

WIJ hadden afgesproken op een donkerroode avondwolk; en toen ik mij dwars onder de Avondster den wind inwendde, zag ik hem van ver reeds zitten. Zijn beenen bengelden zorgeloos naar beneden en met zijn voetzoolen bestudeerde hij den ‘Untergang des Abendlandes’. Zijn handen maakten gebaren als speelden zij vangbal met sterren. De aankomst was pessimistisch: ‘We moeten omlaag. Je haren staan steil overeind. De hemel lijkt wel een Hoover. Er is een magnetische storm dichtbij, en dadelijk slaat de sterrehagel door mijn papiertjes’. Wij doken.

En zoo verloren wij de eerst beoogde distantie tot de dingen, maar wonnen een droog onderdak. De kustkroeg was vol Af en toe verhief zich huilend een Tornado van vloeken tusschen het klapperend neerslaan der kaarten, en dansten de flesschen tusschen de vuistslagen en het glazenrinkinken. En toch is de Nederlandsche dichtkunst van nu de beste van West-Europa. Schenk in. En wie dat dan wel zijn? Ten eerste de generatie van '10: Buning, Roland Holst, Nijhoff. Karakteristieken: Roland Holst: kijk naar buiten en zie hoe de zee aanzuigt, hoor hoe de wind de wereld leegwaait. Dat is de wereld waarvan Holst de onttroonde, door zijn laatste troepen verlaten koning is.

Hoor je hem niet hardop praten in zijn verzen om zijn krankzinnige eenzaamheid te ontkomen? Hij leeft in een wereld waarin alleen de tijd overbleef. Daarom is Roland Holst tragisch en grooter dan Werumeus Buning, de meest begenadigde dichter dien we hebben, met Slauerhoff.

[p. 83]

Nijhoff en ook ik hebben allebei dat angstgevoel vóór een vers: als het niet goed in vorm komt dan valt het uit elkaar. Menschen als Werumeus Buning en Slauerhoff mogen ook wel eens van die werkmanschapsbevliegingen hebben, maar al draait het beroerd uit, dan doet het er toch niet toe; want de poezie zit er in. Voor Slauerhoff b.v. zijn kachels en vrouwen even poëtisch, want hij heeft het stokje van den magiër, hij raakt de gewoonste dingen aan, en ze gaan trillen met een vreemd geluid. Dàt is Poëzie. Hij is grooter dan wij allen, de jongeren dan. De titel van zijn bundel ‘Archipel’ was ongewoon gelukkig gekozen. Want het is inderdaad een zee, waar duizenden eilandjes uit oprijzen, die eruit gegroeid zouden kunnen zijn, wanneer het water niet zoo onvruchtbaar was. Elk eilandje een vers. Daarnaast is Herman van den Bergh een heuvelend landschap met machtige oogsten, de wind waait zaden, alle vormen zijn zwaar en zwanger van leven. En ikzelf? Een van de masten van Kootwijk, 200 meter alleen de lucht in, balanceerend boven een onbestaanbaar klein grondvlak. En zoo voel ik al mijn werk ook. 't Was uitvallen, verkennen in alle richtingen. Kiemen voor later. Bij elkaar vergelijkenderwijs: de domtoren van Utrecht, maar geen kerk nog, geen koor. Men zegt het wel, dat het in de quantiteit niet zit, maar tóch wil ik romans schrijven. Gebrek aan levens- en karakterervaring? En de jonge Franschen dan? Delteil? (al is dat soms op de schreeuw af!) Cocteau? Radiguet? ‘L' Or’ van Cendrars? Ons proza? Querido is een kerel van enorm formaat, en de eerste ‘Jordaan’ een groot boek. Maar ik ruil de romans van Top Naeff graag voor haar tooneelcritieken! Wat wij aan jong proza bezitten is critisch sterker dan scheppend. Zie maar Gerard Bruning, met Roland Holst de grootste figuur uit dit tijdperk bij ons. (Twee ‘unzeitgemässe’ verbannen koningen), vergelijk verder: ter Braak's ‘Cinema militans’ met zijn slecht proza in ‘Erts’, vergelijk v.d. Bergh's critieken met ‘De Boer’, vergelijk, desnoods, mijn Anatomische Les met ‘De Vliegende Hollander’. Ik zonder b.v. Zuid Zuid West van Albert Helman uit. Dat is van een prachtige avondstilte waarin het boek zichzelf spreekt en de stilte niet stoort. En dat is beter dan geweldig steengeplons. (Ik lach). Ja, Albert van Dalsum en jij zijn types van gestyleerde salonboksers. (Ik neem een uitvalshouding aan.) Neem b.v. ‘Genesius’ van van Dalsum. Prachtig van allure, grootsch van opzet en doorvoering, maar diep binnenin, daar, waar de trilling, de echte vandaan moet komen, is een holte, en daarom is de klank er net naast. De noot is goed en gaaf, maar de smaak deugt niet. En dat is met de verzen van den Doolaard net zoo (Ik grijns). Anders met die van Anthonie Donker: die vind ik, op z'n best dan, voortdurend geinspireerd. We zijn dus weer bij de poëzie terug. Wat ons onderscheidt van de vorige generatie? M.a.w. waarin we jong zijn? Ten eerste dan: de tempo versnelling. Vergelijk de auto's van vóór den oorlog maar eens met die van nu.

illustratie
H. Marsman ten huize van J. Greshoff

Men mag dan beweren, dat de oorlog en de geestelijke omkeer in Europa ons niet direct geraakt hebben, maar toch is er zoo iets als een scheur ontstaan, die doorgeschoten is, ook bij ons; en de ouderen, achter die scheur, kunnen niet verder voortdringen; en wat aan den eenen kant onze voorsprong is, is anderzijds onze armoede, ons losgeslagen zijn. Daarom zijn onze verzen avonturen en veroveringen, (ze doen dingen die wij zelf niet willen, zooals alle verzen, 't zijn enfants terribles, die er tegen ons bedoelen in de ongelooflijkste dingen uitflappen en je een figuur laten slaan tegenover je eigen goede bedoelingen). Ten tweede: de generatie van '10 heeft de litteratuur bedorven juist doordat zij, op hun slechtst, litterair deden. Een schoon boord en een schoon gebaar, Zondagsdichters. Neem zoo iemand als Geerten Gossaert. Dat is een voorbeeld van iemand, die niet-dichter is. Het onberekenbaar avontuur, dat een vers is, want je stort je erin, erop of eronder!, verlaagt hij

[p. 84]

tot een zorgvuldig vooruit berekende reeks stooten. Hij wil, wat de biljarters noemen, fijn ‘overhouden’, een ‘mooie’ serie maken. Dat is sjacheren met gevoel, dat is echt-slecht-Hollandsch. Dat is de heele ‘Beweging’, in doorsnee. Zie maar z'n ‘Verloren Zoon’: 't eerste, wat die bij zijn terugkeer denkt, is: ‘Wat zullen de menschen er wel van zeggen’. En dat is ook onze voorliefde voor Gorter, meer dan voor welken 80er dan ook: het directe, het niet litterair-doen. En ten derde, wij zenden onze stamelingen niet meer naar den overkant toe, maar zwemmen er heen en grijpen er weerbaar op in. Het verschil is ook daaruit te zien, dat, als je de drie groote Fransche dichters, Baudelaire, Verlaine en Rimbaud, naast elkaar zet, Jacques Bloem Baudelaire kiest, Roland Holst Verlaine, en ik Rimbaud. Natuurlijk hebben wij dingen overgeërfd en zijn er tusschen ons ook nog verschillen: ikzelf b.v. ben 100 maal moderner en dan opeens weer 100 maal ouderwetscher dan Slauerhoff, die zichzelf staeg gelijk blijft, terwijl ik een slingerbeweging doormaak, die als gemiddelde de positie van Slauerhoff heeft, maar waarvan hij het verste punt vooruit, en ook achteruit, nooit bereiken zal. Mijn voorliefde voor Slauerhoff is een sympathie voor wat ik zelf niet kan. Omdat zijn aard anders is? Vanzelf! Hij schrijft met een vrouwelijk raffinement, toch slordig; maar er onder is de donkere stem van het bloed, en dat is toch eigenlijk de poëzie. Of ik het schrijven van verzen verrukkelijk vind? Het is leven op topspanning, óók een physiek genot zelfs. En wanneer ik er dan alles op gezet heb, zoodat ik mijn polsslag voel verdriedubbelen, en ik hoor dan dat een ander er ook door in de stroomversnelling geraakt is, dan weet ik ten minste dat de publicatie verantwoord was.

 

Of de dichter dus een sociale functie heeft? Zeker. Waarom ik dan dat gedeelte van ‘De Zwarte Engel’ niet uit mijn bundel geschrapt heb? Wel, omdat het ten slotte toch ‘Paradise Regained’ geworden is, ondanks alle beroerdigheid. En ook, wanneer ik, in proza of poëzie, de bazuin van den ‘Ondergang’ geblazen heb (tusschendoor eventjes dit: mijn antwoord op de enquête van de Stem-redactie: ‘Waarheen gaan wij?’ is: ‘Naar de bliksem!’) dan heb ik het, hoop ik, toch zoo fel gedaan, dat het eigenlijk door z'n vurigheid weer een loochenen van den ondergang werd. In de scherpte van den toon verraadt zich de vitaliteit toch weer, die juist door het hijgen om ondergang niet gehavend, maar aangestookt wordt.

Of poëzie ook een bemiddelende functie heeft, zooals van Eyck, geloof ik, zegt (zou zijn aesthetiek niet samen te vatten zijn onder de naam: de Theocratie der Schoonheid?). Oorspronkelijk wèl, en ze heeft er nòg een tik van beet, maar toch zijn gedichten maar uitkijktorens, geen hemelladders. Er is zeer zeker een hiëratisch moment in het dichterschap, maar toch is, wat ik het metaphysisch surplus der poëzie noem, zeker niet gelijk te stellen met bovennatuurlijk leven. Ik heb zoo een gevoel dat je na een leven, dat van Eyck als dichter-leven beschouwt (een schoon leven, ontbloeiend aan een gaaf dichterschap), dat als het ware een zingende aanhef tot de eeuwigheid is, toch naakt bij den hemel zou aankomen, en het daar nog eens apart met Onze Lieve Heer zult moeten uitvechten. Op dat oogenblik deden eenige vuisten de tafel daveren, onze juist toevallig droevig leege glazen dansten mee, een donkere zeerob kwam met de vaart van een driemaster onder vol tuig naar binnen stevenen, zeelucht en scherp zand joegen achter hem aan. Vlak daarop: de harmonika en de horlepiep.

‘Wat beter is, dansen of dichten? Leven of kunst? Vrijen of verzen schrijven? Als het op kiezen aankomt, dan komt het leven vooraan! Een man alleen met zijn kunst leeft maar half. Je kunt op het zuidelijk halfrond bestaan, en ook op het noordelijk, maar dan kan je nooit zeggen, dat je de aardbol in je zak hebt. Wanneer leven, zeg maar liefhebben, in spanning, felheid, door schrijven eens geëvenaard werd, dan was de keus nog niet moeilijk, want stellig is het voller, en completer. En wie niet beseft dat twee oogen grondeloozer zijn dan sterren en oceanen, is leeg langs het leven heen gegaan. Eischt het leven een offer, breng het dan, maar blijf niet als Petrarca om Laura treuren, om het mooie treuren. De ontwikkelingsgang in mijn eigen werk? Eerst een krankzinnige eenzaamheid in de hoogte, hallucinair verworden (onder invloed van Poe, Redon, Hofmann en de mystieken) tot een schrijden langs sterren met den dubbelganger van het eigen ik, dus altijd: ik met ik. Typisch daarvoor zijn de regels uit een niet gepubliceerd gedicht:

 
“En naast mij zal mijn tasten schrijden,
 
Langs stille straten der oneindigheid”.

De aardsche echo daarvan was een ruggelings met mij meedraaiende angst, een zich bliksemsnel losrukken van het beeld dat achterblijft in den spiegel. Dat wordt een obsessie. Naar de aarde dus, de vrouw, als je wilt. Maar zij wijst de aangeboden kosmische geschenken verschrikt af: dit speelgoed maakt haar angstig, zij wil de intimiteit van de dingen bij den haard, het kleine paradijs, het groote is tè groot. Weer dus een breuk. Dan plotseling een paraat staan tegenover wat overbleef: de dingen, maar die dan ook alléén. Dat werden de “Seinen”. Die zijn geen impressionisme, juist sterk onder invloed van het Fransche schilder-kubisme: de geest geen fotografische plaat, maar kaatsvlak van zeer bepaalde gesteldheid. Vanzelf werden dit geen gedichten meer, maar steil omhoog stuivende torens. Je kunt

[p. 85]

met een gitaar nu eenmaal niet metselen, en taal is een instrument, maar geen bouwmateriaal, maar dat erkende ik pas later, natuurlijk; je kunt wel een snaar doen springen, maar niet beweren dat een serie reddeloos losgeslagen geluiden poëzie is (dit aan het adres van de “Woord”-menschen) want wees dan logisch en schrijf muziek. Je kunt ook niet de “huid”, de beteekenis van het woord afstroopen om het dan als klank-ding, voorwerp, te gebruiken. Maar toch zijn die gedichten van een zekere verfijning in de soberheid; en in hun gehalveerdheid gaaf. Met andere gedichten is dat ook zoo: wanneer ze misschien dun en doorzichtig lijken, dan is het gevoel daarachter ook zoo en dat dekt elkaar dan. Dat verder mijn heele werk staat en valt met het rhythme weet ik maar al te goed. Juist omdat ik niet regelmatig kan bouwen moest ik het rhythme wel zoo fel opdrijven. Boutens b.v. bouwt zijn strofen zoo volmaakt, dat het rhythme zich ongestoord en natuurlijk daaruit loswikkelt, om dan de ziel van de verdere versbeweging te worden. Of dichten nu bouwen of zingen is? Geen van beide. Het is spreken, geïntensifieerd spreken, het is, om nog eens die metaphoor te herhalen die al bijna cliché geworden is, en toch zoo raak: de stem van het bloed. En mijn verder werk heeft zich daarheen ontwikkeld. In “Penthesileia” had het subject, zooals van Eyck terecht opmerkte, zijn object nog niet gevonden. Het was alles wat je er van zeggen wilt, maar ook leeg. Daarna ben ik de poëzie gaan zien als het weergeven der spanningen tusschen hemel en aarde. Een volledig mysticisme wordt nevel, een doorgezet vitalisme een orgie. De aardsche aarde is een al even afstompend verblijf als ik mij den hemelschen hemel voorstel. 't Gaat om de vonken die daar tusschen overspringen.

Hoe ik over de Hollandsche critiek denk? Wel, om met van Eyck te beginnen: iedereen die door hem beoordeeld is, heeft op minstens één oogenblik uitgeroepen: “Hij heeft mij door”. Je houdt alleen je hart vast om de fabuleuze filosofische kennis, die hij in een doodgewoon dichter veronderstelt. Een critiek als die van Nijhoff b.v., die niet op wijsgeerigen grondslag ontstaat, maar haar verbeelding aan het leven ontleent, is zeker niet grooter, maar bezit ten eerste een smàak: je proeft tenminste wat, en dan weet hij onder dat z.g. dilettantisme door verduiveld rake dingen te zeggen, waar maar al te velen argeloos overheen lezen.

's Zaterdags koop je de Rotterdammer om zijn nieuwe letterkundige Rebus te genieten; want de rest van dat bijblaadje is dan ook wel zoo'n reusachtige sof...

Coster? Kijk eens, hij heeft een voortdurend gespannen waakzaamheid tegenover de verschijnselen, en dat is zijn groote deugd. Maar hij wil in alles het lichtje zien, hoe klein het ook is; en vergeet dan in welke verhouding het stond tot de gróóte, soms beangstigend groote duisternis er om heen. Men noemt dat wel een mild oordeel, dat z.g. met de jaren moet komen, na het heftig verwerpen en omhelzen van de eerste jeugd. Maar aan de andere kant is er toch geen reden, om, als je het licht één keer gezien hebt, later het halfduister met je eigen licht vol te stralen, en dan terugwerkend, een nieuw licht te ontdekken? Maar zijn werkwijze is vooral psychologisch en dan komt het in de eerste plaats op het zuiver begrijpen aan, maar critisch is dit begrip zonder meer nog niet. Tusschen haakjes: ik durf aan zoogenaamd 2-dimensionaal proza - de derde brengt het dramatisch element erin - geen creatieve waarde ontzeggen. Een essay kan scheppend zijn. Het gaat per saldo niet om 2 of 3 dimensies, maar om het proza, om het schrijven: daarom is Coster een grooter schrijver dan Herman de Man, grof gekozen, om de tegenstelling: essayistromancier. Uitstekend was van den Bergh, ook critisch; zijn verlies is nog dagelijks voelbaar.

Tenslotte zijn Binnendijk en Jan Engelman scherpe, betrouwbare critische naturen. Hun beteekenis, die meer achter de schermen ligt, meer in de persoonlijke gesprekken dan in hun geschriften, is in de twee jonge groepen, neutraal en Katholiek, zeer groot. Zij zijn de loodsen; ook de eruditie van Engelman (en van Lichtveld) is prachtig; en nu we toch in die hoek zitten: de poëtische, vooral rhythmische potenties van Henri Bruning worden sterk onderschat (van Gerard zwijg ik, lees mijn inleiding bij zijn nalatenschap als je wilt), en Albert Kuyle is een voortreffelijk reisbeschrijver. (Een journalist is een schrijver, hoeft creatief geen háár minder te zijn dan een dichter, dramaturg, essayist!)

Waarom ik ondanks de bosschen bij mij thuis, zoo weinig landschap in mijn werk heb? Hendrik de Vries beweert, dat hij de matte kleurwaarden van het Utrechtsche bosch-landschap in mijn verzen terugvindt, maar ik vind het niet mooi, het doet me niets. Ik verlang naar een landschap dat de vitaliteit verhoogt (ik onderga natuur dynamisch, niet aesthetisch, al is dat geen zuivere tegenstelling), met een scherpe snelle zon, vooral zon, Provençaalsche zon, de eeuwige laaghangende wolken hier wentelen je langzaam je graf in. Een landschap als Bretagne b.v. stel ik mij ideaal voor: eenerzijds een zee, die een zee is, met driften en verteederingen, en niet b.v. de Middellandsche, die net goed genoeg is om op Zondagmorgen langs te trammen, dwars door de Côte d'Azur, de grootste waanzin die God geschapen heeft; en anderzijds het berglandschap, omdat je op het ruige stijgen van rotsen de spanningen behouden kan, die je tegenover de alles weg- en leegzuigende zee verliest’.

Het slachtoffer had bijna aan één ruk doorgesproken

[p. 86]

met de doeltreffende snelle beslistheid van een pneumatische revolverhamer. Nu werd de zee hem te machtig, hij stond met een ruk op, verklaarde zich leeggezogen, en liep naar buiten. Toen wij ons naast elkaar in den wind gooiden, herinnerde ik mij plotseling al zijn geliefkoosde adjektieven, die meteen zijn persoon zoo goed weergeven: scherp, snel, steil, vermetel, smal. Verder is hij als zijn verzen: een vreemde ontmoeting van vermetelheid en hunkering, en de poëzie die daaruit ontstaat heeft beide in zich. Lees dit kleine vers maar, een van zijn beste:

Twee vrienden
 
De maan maakt de nacht tot een sneeuwwit veld
 
Een man heeft een vriend van zijn leven verteld.
 
 
 
Er is door dit spreken een wonder gebeurd:
 
Hun harten zijn zoozeer eender gekleurd
 
 
 
Dat de een, als hij soms naar den ander ziet,
 
Bij zichzelven zegt: maar ben ik dat niet?
 
 
 
Een vrouw; nog een vrouw; een verterend gemis,
 
Het is alsof alles ten einde is.
 
 
 
Want éen hart blijft thuis, en éen hart gaat op reis,
 
Maar geen van twee vindt het paradijs.

A. DEN DOOLAARD