Boekenschouw
Vertaalde werken
Fannie Hurst. Appassionata. Vertaling van J. van Schaik-Willing. - H.P. Leopold's Uitgeversmaatsch., 's Gravenhage, 1926. (292 blz.) f 3.25; geb. f 4.25
Na het eerste boek, waarmee de schrijfster in Holland werd geïntroduceerd, ‘De Sloof’, dat zulke opmerkelijke kwaliteiten had, valt dit ‘Appassionata’ eenigszins tegen. Wel geeft Fanny Hurst ons hier, nog meer dan in ‘De Sloof’, een verwonderlijk fijne ontleding van het vrouwenkarakter. Zij teekent de mooie Laura Regan zóó, dat deze meisjesfiguur, met haar gevoelige en pure ziel, ons vertrouwd wordt. Laura zal gaan trouwen met Dudley. Houdt ze van hem, heeft ze hem echt lief? Zoo voelt ze het: ‘meestal gaf het je een warm gevoel dat Dudley zoo van je hield... maar daarom was jouw manier van liefhebben nog niet die van Dudley. Je voelde dezelfde zachte aandoening wel es voor vader ook... Werkelijk, je gevoel voor vader en dat voor Dudley was verwant. En toch weer heel anders natuurlijk. Soms met Dudley was het alsof je een heel klein jongetje vertroetelde, zooiets als Bennet of Bobbie. Alsof je hem wel altijd in je armen houden wou, omdat hij je noodig had. - Er waren zooveel wijzen van liefhebben. Je eigen kennelijke verblindende liefde voor Hem, die daar neerlag op de schoot der Madonna, van de marmeren Pietà op den salontafel. Zijn wonde voeten. Je had stil en in 't verborgen je hart in aanbidding tot flarden kunnen scheuren om Hem te verbinden. Zóó had jij lief. In pijn en bijna in extase. - In schrijnende vervoering, omdat zijn Lichaam op gindsche tafel bleek en uitgeput op Maria's schoot, zoo moede was...’
Laurie dénkt wel dat ze van Dudley houdt, maar in haar innig vrome hart, vol mystieke liefde, is eigenlijk geen plaats voor de liefde en de verliefdheid van een man, een jongen, vroolijken, gezonden man als Dudley. Haar angst voor het huwelijk neemt toe naarmate de tijd verloopt. Nog één week en ze zal getrouwd zijn. In het klooster, waar ze school heeft gegaan, brengt ze een bezoek aan moeder Agatha, die ze vereert, en vertelt haar dat ze báng is, ‘zooveel, zooveel hulp moeder, heb ik noodig. Ik - ik vind 't griezelig, hè moeder - te trouwen - als men - altijd - enkel maar een meisje is geweest. Dat geeft je zoo'n raar gevoel, dat je eigenlijk niet weet - of je ooit graag zou willen ophouden meisje te zijn...’ - En dan gaat Laura bidden in de kapel, terwijl buiten Dudley wacht in de auto en toetert om haar te roepen. ‘Op weg naar den automobiel waar in alle hoekjes en gaatjes wilgentakjes naar buiten staken, voelde je je alsof je in extase was bezwijmd en dat dit warm vertoon van lente je thans bijbracht. Ofschoon je je verzette’. Eigenlijk blijft Laura zich verzetten. Ze krijgt een auto-ongeluk, waarbij ze haar schouder breekt en waardoor natuurlijk het huwelijk wordt uitgesteld. En wanneer, na weken van liggen in gips, haar schouder beter is, kan ze opeens niet meer loopen. Een soort van nerveuze storing: eigenlijk het zich verzetten tegen het huwelijk. Want wanneer ze ‘Dudley de bons heeft gegeven’, wat haar een bevrijding lijkt, gebeurt een ‘wonder’. De Christuskop, waarvoor Laura biddend ligt, opent de oogen:
‘De oogen! De oogen!’ Als wonden die opengaapten. De oogen openden zich in hun pracht - heelemaal!... ‘Liefste, ik wil loopen!’ - De oogen. Hun licht stroomde door het donker, warmte welde op, je knieën lieten los, als was er iets ontdooid. En werkelijk loopt Laurie, na haar gelofte om er mee tot God te gaan als Zijn bruid... Hiermee eindigt het tweede boek. In het laatste wordt het leven van Laurie beschreven, zich voorbereidend voor haar nieuwe taak. Bijzonder knap is hierin de moeder van Laurie gegeven, die zwakke, zielige moeder, die juist dáárin haar kracht vindt.
Ook de broer, Frank, die trouwt met de typiste van zijn vader, is goed. - Wanneer Laurie's proeftijd bijna is afgeloopen, ontmoet zij plotseling ‘de’ man. Hij begeert haar en - zij hem, hoewel ze denkt dat ze hem haat; ze zal naar hem toegaan, ze is bang hem te laten wachten... En dan volgt de beschrijving van Laurie's strijd, haar liefde voor den man en haar vrome liefde voor God. Ze wéét niet wat ze kiezen moet. Heel suggestief is dit gedeelte. Wanneer Laura naar haar Christuskop kijkt, smeekend om hulp, zijn ‘de oogen’ plotseling weer dicht, en opeens zijn ook haar beenen weer machteloos en vast aan elkaar geklonken, Zwoegend en met elke vezel van je, rukte je tot je de wanden van je lichaam voelde spannen in pijn. ‘Liefste’, riep je en telkens en telkens weer stootte je 't uit. ‘Geef mij mijn beenen terug om tot U te gaan, Glans van ontwakend vleesch. Warmte der knieën die zich losmaakten uit de verlammende angst. Extase van het gaan er op tot Hem’. - Zoo eindigt de roman. Minder menschelijk, minder ontroerend door buitengewone innigheid dan ‘de Sloof’ is dit boek toch zeer lezenswaard en opmerkelijk goed geschreven. Alleen is voor een Hollandsch boek het voortdurend gebruiken van de tweede persoon eenigszins hinderlijk en irriteerend, terwijl het dat in het Engelsch niet is.
Annie Vivanti. De kleine Saffo. Uit het Italiaansch vertaald door H. van Lokhorst. De Waelburgh - Blaricum. 458 blz.
Dit bijzonder knap geschreven en uitstekend vertaalde boek is eigenlijk de geschiedenis van twee moeders, die zich opofferen voor haar kind.
Wanneer de roman begint is het kindje nog heel klein. En de moeder is zeer bedroefd omdat heel kort geleden de vader van het kindje is gestorven. Nu zijn ze beiden in Engeland gekomen, de Italiaansche moeder en het half Italiaansche half Engelsche kindje. Ze wonen bij de grootmoeder. Heèl véél van haar kinderen heeft deze vrouw verloren, allen aan dezelfde ziekte, tuberculose. Een schaduw komt er over het huis, waarin nog de halfkindsche overgrootvader leeft, die zich voortdurend omgeven waant door zijn gestorven kinderen.
Het kleine meisje, dat Nancy wordt genoemd, is de hoofdpersoon in den roman. Eerst als kind, dan als moeder. Wanneer ze nog een kind is wordt er besloten dat ze een genie zal zijn. Nancy is dan drie jaar, en de kunst die voor haar wordt uitgezocht is de muziek. Natuurlijk slaagt deze poging niet: Nancy moet niets van muziek hebben. Wanneer ze acht jaar is openbaart zich haar werkelijke aanleg. Ziehier hoe alleraardigst, vol lichte ironie, dit beschreven wordt: Fräulein, de goeïge Duitsche juf, kondigt aan dat Nancy niet aan de lunch kan komen omdat ze een gedicht maakt over haar doode kanarie en haar kapotte pop, die noch dood noch kapot zijn, maar, zooals fräulein verward uitlegt: ‘Nancy zegt dat ze alleen maar verzen kan maken over dingen die kapot zijn en dood.’ - En dan vangt de oude grootvader die twee woorden op en herhaalt telkens onder den maaltijd ‘kapot en dood.... kapot en dood’....
Daar komt Nancy, het achtjarige genie, binnen en geeft het vers aan Edith haar nichtje en liefste vriendin.
‘Edith las drie korte coupletten hardop en met veel ontroering voor. Valeria improviseerde een Italiaansche vertaling ervan voor Oom Jacques en voor Nino, toen wilde Valeria ze hardop lezen en vervolgens werden ze opnieuw mct veel uitdrukking door Edith voorgedragen, daarna nog eens door Valeria; toen door Fräulein en weer opnieuw door Edith en nog een keer door Valeria. Ze lachten en huilden allemaal en Valeria omhelsde iedereen’. En Nancy's genie wordt wel gekoesterd, alles draait om haar ‘inspiratie’, die ‘de grondwet van het huis werd’. En Nancy maakte werkelijk gedichten en is een klein genie. Ze ontwikkelt zich verder in Italie.
Juist wanneer Nancy's eerste boek in proef thuis komt, ze is dan 15 jaar, bereikt haar Edith's doodsbericht. ‘Zij is Donderdagochtend gestorven,’ snikte Valeria ‘O Nancy, Nancy! En je wéét niet hoeveel ze van je hield’. Neen Nancy wist het niet. Zij hoorde haar moeder zelf niet meer. Voor haar lag haar eerste gedrukte gedicht. De strook korte regels in het midden van het breede blanke papier, leek haar een voetpad ... een streep .. En langs dit pad der fantasie naderde Nancy met schitterende oogen de hoogten waar het roepen van die liefde of van den dood haar niet meer bereikte.....
Ze wordt geëerd, ze heeft succes.
‘Er kwamen zooveel menschen om Nancy te spreken over wat ze geschreven hád, dat haar geen tijd overbleef om iets nieuws te schrijven’.
En Valeria trekt zich bescheiden terug ‘in de schaduw, waar de moeders thuis behooren, de moeders met haar zachte oogen, waar niemand naar kijkt, met de lieve monden, met de blanke handen, die zegenen en afstand doen. - Eerder dan anderen had Nancy haar plaats in de zon ingenomen, want, zooals bijna altijd de kinderen onbewust en instinctief de ouders van hun plaats in het leven dringen, het jonge genie is een adelaar, die onverwacht uit het nest van een duif opvliegend, de machtige niets ontziende vleugels uitslaat, rooft om te leven, verslindt om zich te voeden, vernietigt om opnieuw te scheppen’. En ook Nancy ontkomt niet aan deze opoffering. Zij trouwt met een non-valeur, een mooien luien Napolitaan; ze krijgt een kindje, een meisje, Anne-Marie. En het ‘Boek’, dat Nancy schrijven zal, dat haar leven zelf is, wordt niet voltooid, omdat Nancy veel te veel met de baby moet spelen. En ondertusschen leven ze er maar op los en raakt al het geld op, zoodat Nancy, Aldo haar man en de kleine Anne Marie op goed geluk naar Amerika trekken. Nancy leidt een armoedig, een zielig leven; haar man heeft een betrekking en Nancy probeert weer te werken. Maar Anne-Marie heeft haar noodig, ze moet het kind leeren en opvoeden; zóó praat ze met haar kleine meisje: ‘We zullen spelen’, zei ze, dat jij een klein boek bent dat ik geschreven heb, een mooi boekje...
Nu, in dat boek waarvan ik zooveel houd...
‘Wat voor kleur heeft het?’ vroeg Anne-Marie.
‘O heelemaal wit en rose en goud’, zei Nancy terwijl zij het glanzende haar van haar meisje kuste...
Nancy zou willen dat haar kind een dichteres werd. Ze wil gedichten in het rose en witte boekje schrijven. ‘Maar Anne-Marie was niet bestemd om dichteres te worden. In de kleine wit en rose boekjes die de moeders meenen te scheppen is het verhaal reeds Iang geschreven vóór dat zij in de teedere moederhanden belanden...’
Nancy's leven is ‘het kind’, en daarvoor wijkt alles. En plotseling is ook Anne-Marie ‘een genie’. Ze speelt viool, wonderlijk mooi voor een klein, achtjarig meisje. En Nancy vergeet haar eigen verwachtingen; nóg eens wordt ze door een laten minnaar in staat gesteld om te werken aan haar Boek, maar ze kan 't niet doen om Anne-Marie. Nancy denkt aan haar eigen groote verwachtingen, aan de machtige stem, die haar ééns riep, maar die ze niet kón volgen om haar kind, om haar dagelijksche kleine
plichten... ‘maar nu heeft de Pijper voor Anne-Marie gespeeld! zij heeft hem gehoord en zal hem moeten volgen. En als haar weg haar daarbij voert over mijn vernietigde verwachtingen en over mijn ongeschreven boeken - welnu, ik zal dat alles aan haar voeten leggen en haar zeggen erover heen te loopen, te rennen, te dansen!’ - En het kind ontplooit haar wonderlijk talent. ‘Haar klare ziel was gedrenkt met muziek, en als uit een zuivere en zeldzame vaas stortte zij den klankvollen inhoud over de luisterende wereld’. Nancy is gelukkig. Ze vergeet dat zij dichteres was, Anne-Marie heeft haar tot niets teruggebracht, en daar is zij blij om. Zij is als alle moeders die aan de levens die haar gegeven zijn haar levens moeten geven. En tenslotte blijft Nancy toch ook weer alleen achter. Anne-Marie trouwt. Ook zij zal den eeuwigen kringloop gaan. En in het eind van dit werkelijk tragische boek is Nancy wanhopig, wanneer ze, alleen, het leven voor zich ziet, ‘het Leven in al zijn onbillijkheid en vreesaanjagende nutteloosheid - den korten, onbeduidenden, tragischen gang van den slaapwandelaar, van het Niets, naar het Niets...
Er was voor Nancy niets meer te doen. Het was te laat. Haar kind was vertrokken. Haar Boek gestorven. De blauwe tuin was gesloten’.
Zonder eenige sentimentaliteit is dit boek bijzonder aangrijpend. De fijne ironie, de wrange humor en de diepe, weemoedige innigheid maken het tot iets werkelijk bijzonders.
Ph. Gibbs. Het jongere geslacht. Voor Nederland bewerkt door Claudine Bienfait. - W. de Haan, Utrecht. (299 blz). f 1.50; geb. f 2.25
Dit goed geschreven en onderhoudende boek geeft ons de geschiedenis van een aantal jonge menschen in het Engeland van 1922. Julian Perryam, 21 jaar oud, is de hoofdpersoon, en daaromheen groepeeren zich zijn vader, moeder, zijn zusje Janet en het gezin van dominee Nye met Audrey, Julian's beste vriendinnetje. Het begin is alleraardigst. Audrey is tengevolge van een cock-tail fuifje van haar college weggestuurd en Julian besluit zelf om de studie er maar aan te geven, hij is er beu van zijn tijd te verknoeien in de stad van ‘beautiful nonsense’ Oxford. En zoo gaan de beide jongelui op weg naar huis, Julian heeft Audrey aangeboden om haar met zijn ‘métallurgique’ te brengen, maar na een korten tijd krijgen ze een ‘panne’ en ze besluiten dan maar naar Londen te gaan loopen, zestig mijl, maar kalmpjes aan. Natuurlijk ontmoeten ze op hun tocht kwaadsprekende kennissen die dadelijk héél wat denken van de onschuldige wandeling, en wanneer ze (keurig netjes in twee aparte kamers) logies gevonden hebben in een klein logement, ontmoet Julian daar weer een weldenkenden ouden majoor, die ook niet anders denkt dan dat Julian een ‘slippertje’ maakt. Alleraardigst zijn de verontwaardigde tooneelen geschreven waarin zoowel Audrey als Julian bij hun familie vergast worden. Julian wil nu plotseling gaan schrijven: een drama in rijmlooze verzen: Engeland na de Napoleontische oorlogen. Maar voorloopig wil de inspiratie niet erg komen en zijn familie hindert hem buitengewoon met haar belangstelling. Daar is b.v. de oude grootvader.
‘Met een soort duivelsche vindingrijkheid, alsof hij een soort misdadiger moest opsporen, zocht hij Julian op, waar hij zich ook verstopt had. En Julian, die juist eenige woorden opschreef, hoorde zijn stok al dreunen op het pad en zijn hijgende ademhaling nog vóór hij verscheen in zijn grijze, gekleede jas, met iets triomfantelijks in zijn doordringende oude oogen dat hij zijn prooi gevonden had.
Zoo, ben je daar Julian. Ik zocht je. Ze vertellen me dat je een boek schrijft. Als ik jou was zou ik het maar laten, jongeman. Er zijn al te veel boeken en het zijn tegenwoordig allemaal prullen’.
Hoe goed wordt het gewichtige nietsdoen van Julian weergegeven:
‘Alleen op zijn kamer was hij veilig, daar dacht hij over zijn boek na en rookte ongestoord sigaretten. Maar dikwijls dwaalden zijn gedachten af. Hij vroeg zich af wat Clatworthy nu uitvoerde, of Stokes Prichard zijn graad zou hebben gehaald, hoe de laatste revues in Londen zouden zijn. En dan raakte hij verdiept in de Forsythe Saga van Galsworthy; zoolang legde hij zijn eigen drama terzijde - en Galsworthy's boek was geweldig lang...’ Ook maakt Julian nog een gevaarlijke verliefdheid door op een jonge vrouw, getrouwd met een veel ouderen man. Wanneer de majoor, haar man, van Julians ernstige flirt op de hoogte komt, verbiedt hij hem zijn huis en uit baloorigheid wil Julian nu maar in de journalistiek en tracht hij een plaatsje te vinden bij het blad waarvan zijn vader hoofdredacteur is. Zijn verblijf in Londen is bijzonder levendig geschreven, omgeven als hij is door allerlei jonge, opgewonden vrienden, die allen, evenals hijzelf, de wijsheid in pacht hebben en de wereld in hun zak. Een tragische samenloop van omstandigheden maakt dat ‘de Week’, het blad van zijn vader, moet worden gestaakt. De eigenaar, een ploert, heeft jarenlang het publiek door allerlei financieele raadgevingen om den tuin geleid en hij wordt veroordeeld. Tot overmaat van ramp krijgt Julians vader een beroerte en gaat de man met wien Janet hoopte te trouwen er met Evelyn Iffield, de vrouw op wie Julian verliefd is, vandoor. Ongelukkiger kan 't al niet. Toch komt nú pas Julians goede aard boven. Hij werkt en hij krijgt er zelfs plezier in. En hij tracht zijn zusje, dat veel meer terneergeslagen is, te helpen. Zij klaagt haar nood aan hem:
‘Ik ben gemaakt voor vroolijkheid, waarom ben ik mooi als het niet is om bemind te worden? Waarom ben ik grootgebracht om van prettige dingen te houden, van mooie japonnen, van dansen, van knappe jongens, van pret - en opeens is mij alles ontnomen. Het is onrechtvaardig, het is gemeen. Het heele leven is niets dan bedrog. Ik ben op alle mogelijke manieren voor den gek gehouden...’ ‘Ik begrijp het allemaal best’, zei Julian, ‘ik heb dat alles ook doorgemaakt. Ik geloof dat je je vergist, dat het leven bedrog is. Wij zijn het, die bedriegen’. ‘Wij?’ vroeg Janet verbaasd. ‘Ja wij’, zei Julian. ‘Wij vonden onszelf ver verheven boven de rest van de menschheid. We waren verrukt van onszelf en verwachtten de schokken niet, die andere menschen ook krijgen. We waren superieur, welopgevoed, verfijnd, zeker van onszelf, zagen minachtend neer op de ouderen, die bang en vol zorg voor ons waren. Wij waren het jongere geslacht, we wilden het prettig hebben, we hadden rechten en geen plichten, we wenschten vrijheid en avonturen. We voelden ons bestand tegen laagheid en hartstocht en namen de verantwoordelijkheid op ons, die onze ouderwetsche ouders niet durfden dragen. In werkelijkheid waren wij de ophakkers. Egoïsten! verwaarloosde vlegels! maar we hebben ons hoofd gestooten, we zingen een heel toontje lager. In ieder geval, ik bedank er voor om zoo te jammeren!’
Natuurlijk komt na dit goede inzicht alles op zijn pootjes terecht en eindigt alles in de beste harmonie. Voor het ‘jongere geslacht’, dat nog niet heeft geleerd een toontje lager te zingen, een leerzaam boek. En voor anderen door zijn aardige typeering en humoristische beschrijving onderhoudende lectuur.
Christopher Morley. Geladen atmosfeer. Uit het Engelsch vertaald door J. Kernkamp-Muyderman. - Haarlem. H.D. Tjeenk Willink 1926. (236 blz.) f 2.50; geb. f 2.90
Hugh Walpole geeft bij dit boek een voorrede, waaruit we het volgende overnemen.
‘Wie zeer zelfbewust is, zal na de lezing ervan zeggen, dat hij niet begrepen heeft wat de schrijver bedoelde (zoo zullen er zeker zijn); wie het op de allereenvoudigste manier zal willen uitleggen, hem zullen knappe koppen, die er heel wat meer in hebben gevonden, uitlachen; en wie er heel subtiele bedoelingen in ziet en wil laten merken hoe scherpzinnig hij is: dien zal men waarschijnlijk erg verwaand vinden...
Maar als ge heelemaal geen uitlegging wilt, lees het dan om den pittigen stijl, de prachtige tooneelen, den levenden dialoog en het innig-menschelijke van de karakters’. - Inderdaad - het is een ‘vreemd’ boek, maar zóó fascineerend geschreven, zoo ontroerend en tegelijk zoo scherp en fel gezien, dat het voor velen een openbaring van eigen gedachten zal zijn. Hoe prachtig is al direct het begin: het verjaarspartijtje van den tienjarigen Martin, waar de kinderen er over praten hoe het is om ‘groot’ te zijn. Met wat een buitengewone opmerkingsgave beschrijft Morley ons de gedachten van het kind.
‘Wat moet het toch heerlijk zijn’, zei Martin. ‘Alsjeblieft’, zei Ben. ‘Denk eens aan: een lange broek, een pijp rooken, kringetjes blazen, elken dag naar stad, naar de bank en geld halen’...
‘Ik bedoel niet de dingen die je doen’, zei Martin, ‘maar die je denken moogt’. Zijn schrander gezichtje, helder verlicht door twee kaarsen in hooge zilveren kandelaars, kreeg plotseling een bekoorlijk ernstige uitdrukking. ‘Te kunnen denken wat je wilt en geen dingen te moeten doen, waarvan je weet dat ze verkeerd zijn’. Een oogenblik scheen het of de jongen alle heimelijke ellende van een kind te zijn zou uitschreeuwen, die zieligste van alle slavernijen op aarde; en misschien de eenige, die nooit verdwijnen kàn. Maar de anderen begrepen het ternauwernood en ook hijzelf eigenlijk niet. - De kinderen zullen nu de grooten eens ‘bespieden’, om zeker te weten of ze het wel zoo prettig vinden om gróót te zijn. ‘We zouden het kunnen vragen of ze gelukkig waren’, zei Ruth.
‘Ze zouden het je toch niet zeggen’, zei Alex; ‘ze zijn te welopgevoed’...
‘Je moet ook niet gelooven wat ze zeggen’, vervolgde Martin. ‘Zij zeggen nooit de waarheid als er kinderen in de buurt zijn. Zij hebben niet graag dat wij weten hoe het eigenlijk is’...
Het tweede gedeelte van het boek laat ons de kinderen van zooeven zien als ‘volwassenen’. Slechts één dag en één nacht leven wij hun leven mee. Het lijkt een soort van droom - een onwezenlijk leven, en het schijnt niet onmogelijk, dat de schrijver een droom heeft willen geven: telkens zijn er van die eigenaardige gedachtenassociaties met vroeger, van die vluchtige herinneringsflitsen, zooals we dat in een droom kunnen hebben.
Phyllis, getrouwd met George, heeft voor de vacantie hetzelfde huis gehuurd waar het kinderpartijtje plaats had. De oude kennissen van vroeger worden op een picnic gevraagd en zoo zijn ze allen weer bij elkaar. Heel toevallig komt ook Martin, en hij is niet als de anderen volwassen geworden, hij is, uiterlijk een man, een kind gebleven. Was dit de wensch dien hij deed, bij zijn verjaardagkaarsen? Niemand merkt het, dat hij maar een ‘jongen’ is. Phyllis wordt verliefd op hem, de kinderen zijn dol op hem en de overigen vinden hem een rare sinjeur.
Het vreemde droomachtige, de ‘geladen atmospheer’ maakt een diepen indruk op hen allemaal. Vooral Phyllis voelt het sterk.
‘Vroolijk stappend namen de kinderen Martin mee. Phyllis keek ze na over het heete grindpad. Voorbij den zonnewijzer boog het pad om en liep door de boschjes naar het groene hek van het cricketveld. Doezelig volgden haar oogen het viertal. Dat kleine dal tusschen de hooge duinen was als een vaart, waardoor alle leven zou wegslippen, als de tuin maar even overhelde. Het hek open doen was hetzelfde als de stop uit een badkuip trekken. Alles zou gaan wegstroomen. Met een akelig gorgelend geluid waarschijnlijk’. -
George houdt van Joyce, en hij heeft haar ook genoodigd. Hij hoopt samen met haar de auto naar de stal te kunnen brengen om een oogenblik met haar alleen te zijn, maar het heele gezelschap wil mee. Hoe prachtig, hoe ècht menschelijk zijn Georges overdenkingen op dat heel korte autoritje, dat eindeloos schijnt te duren.
‘Het viel hem in dat deze avond even verdoemelijk was als een vertraagde film, waarin de stroom der gebeurtenissen telkens wordt tegengehouden om de afzonderlijke bewegingen te laten zien... De kleinste verandering in het tempo van den geest verandert alles, evenals een onnoozele drukfout een gewoon opschrift in een courant in een obsceniteit kan veranderen’.
Een heel eigenaardig element in het verhaal, wat het onwerkelijke van de situatie nog sterk verhoogt, is het aanwezig zijn van Martin's gestorven zusje, die tegen hem spreekt en hem waarschuwt, alleen hoor- en zichtbaar voor hem en soms voor Joyce - en dan de vreemde overeenkomst tusschen Martin, die kind is gebleven en George. Eigenlijk zijn zij elkaar, George is Martin, nú. En het vroeger en nu is vreemd door elkander gemengd, verbijsterend, beangstigend. Hoe knap weet de schrijver ons dat eigenaardige irreële van de situatie te doen voelen in een passage als de volgende:
Bunny had zoo dringend geroepen dat zelfs Joyce haar bijna hoorde, zij keerde zich om en keek, ‘wat was dat? Fluisterde er iemand wat?’
‘Och het is Bunny maar’, zei hij ongeduldig. ‘Ze is bezig me een poets te bakken. Ze wil dat ik hier weg ga’. Joyce was uit de schaduw getreden en nu begon aan Martin een licht op te gaan. ‘Jij bent niet miss Die en Die, je bent Joyce, die me toen die muis gaf. Jij houdt niet van me, wel?...’
‘Neen ik houd niet van jou’, zei ze langzaam. ‘Ik houd van George’.
Maar zij moest weer naar hem kijken om er zeker van te zijn. Hij was zoo mooi, zoo verlegen. Misschien hield ze wel van iedereen. Een oogenblik dacht ze dat hij George was - ze kon een zwakke gelijkenis tusschen hen zien. En toen bemerkte ze dat George er ook was. - En droom en werkelijkheid vermengen zich: ‘George, wanneer gaf ik je een muis?’
Die muis, die in het begin van het boek voorkomt, is als een echte droomobsessie door het verdere verhaal geweven - van de muis hangt iets af, iets vaags, iets beklemmends. - Bijzonder fijn is de ontmoeting tusschen George en Joyce geteekend, ontroerend, zielig-menschelijk. En hoe verbijsterend is daarna plotseling het tooneel van George met Phyllis in de keuken, terwijl ze sandwiches maken. Wij droomen zelf mee - beklemd. Het is niet te begrijpen wat de schrijver precies bedoelt. Vooral aan het eind van het tweede deel, waar het oude balcon bezwijkt, voelen we alleen dat benauwde droom-gevoel, dat ijzig-kil langs onze maag krampt wanneer de drie kinderen vallen... Maar de sfeer, de onweers-zwangere atmosfeer, de beklemming, de teleurstelling en verwarring om het moeilijke leven, hoe goed begrijpen we die!
Aan het eind zijn we weer op het kinderpartijtje waarmee het boek begon. De bittere sarcastische menschelijkheid is wel de grootste charme van dit boek.
N.v.K.-B.
vorige 
