[p. 104]

Urbain van de Voorde als romancier
Het Meisje Lea door Urbain van de Voorde. - Em. Querido, Amsterdam 1927.

ONDER de jongste Vlaamsche dichters, - die welke nu omstreeks de dertig zijn - behoort Van de Voorde tot de weinigen die, buiten de herrie van het litteraire slagveld, iets gepresteerd hebben. Nadat ik zijn eerste prozawerk van eenigen omvang: Het Meisje Lea, had gelezen, heb ik naar zijn twee verzenbundels teruggegrepen. En inderdaad, tot zelfs in de kwaliteiten van zijn gedichten heb ik een verklaring gevonden voor de mislukking van zijn roman.

Laat mij dit nader omschrijven.

Zóó vangt het eerste sonnet van zijn eersten bundel, De Haard der Ziel, aan:

 
Mijn noest bestaan is hetfa tale smachten,
 
Uit donkren doem van Ruimte en van Getal,
 
naar 't onbewust heil van uw zuivere nachten.
 
Gij zijt de derde Pool van mijn heelal,
 
waarheen mijn ziel gaat noodgedwongen trachten,
 
magneet op zoek naar evenwicht in 't Al,
 
vloekbaar gedwarsboomd door onreine machten
 
dat nooit haar as met de uwe samenval!

Ik, die vitter ben, heb in mijn boekje de stopwoorden onderlijnd, of wat ik meende stopwoorden te zijn: noest, fatale, donkren, vloekbaar. Het zijn waarachtig geen stopwoorden. De kwestie is integendeel dat Van de Voorde een tot barstens toe geladen lyrieker is, gespannen als een boog die zijn pijlen naar de zon wil schieten: 't mikken wordt bijzaak; ver en hoog schieten, dáár gaat het om. Zie maar de aangehaalde woorden; het zijn alle superlatieven, die soms nog superlatieven flankeeren, als ‘fatale smachten’, ‘donkren doem’. En in mijn boekje heb ik nog bij dit eerste sonnet, doelend op wat ik ten onrechte voor stopwoorden hield, aangemerkt: ‘Zulk een sonnet wordt een gloeiende aanklacht tegen den gebonden versvorm’.

Let wel, ik houd het, zooniet in principe, dan toch in de practijk, met het gebonden vers. Doch mijn gedachtengang was deze: Aan kracht, die hij blijkbaar nastreeft, zou Van de Voorde winnen, indien hij zijn lyrische uitbarstingen niet nog op te drijven trachtte met pleonasmen, uitroepingsteekens en hoofdletters; of, wanneer de schrijnendste woorden hem niet ontladen kunnen, laat hij zich dan maar botvieren in ongebonden geuten lyriek. Zooals hij in zijn sonnetten gedrongen staat, wekt hij den indruk van iemand die machteloos zijn woede tegen zichzelf keert.

Het Meisje Lea liet mij evenwel inzien, dat strenge gebondenheid voor Van de Voorde een vereischte sine qua non blijft, zoolang hij zijn spankracht niet onder de knie heeft. Zooals Het Meisje Lea een negatief bewijs is voor deze stelling, is menig gedicht van Van de Voorde er een positieve

illustratie
Urbain van de Voorde
Naar het portret, opgenomen in ‘Erts’ 1926.


demonstratie van. Ziehier, onder tientallen, het eerste gedicht uit zijn tweeden bundel, Diepere Krachten:

 
Heelal dat zwijgend donkre raadslen torst,
 
wat maakt uw oog zoo puur van gouden droomen,
 
gij, sinds altoos met slijk en bloed bemorst
 
van sterre' en volkren die steeds gaan en komen?
 
 
 
Gij straalt in duister en licht van dag en nachten!
 
Om u is bede en vloek aller geslachten,
 
maar trots en ootmoed zijn u eenerlei...
 
In u geen echo van den val der wanen -
 
Gij blijft omruischt van 't spel der sterrebanen,
 
woudenmuziek en 't dondren van 't getij!

Men voelt hier hoe, zuiverder binnen de gestelde grenzen, de spankracht alle poriën van dit organische gedicht vult en het doet zwellen met homogenen

[p. 105]

druk; het wordt zelf als een van innerlijken brand gebolde planeet die door de ruimten zwaait.

De indruk die van deze twee gedichten uitgaat geeft vrijwel den totaal-indruk weer die ons bijblijft uit gansch het werk van Van de Voorde. Neem één ander gedicht, naar willekeur, en gij vindt er: gloeiend juweel, ontzind gestreel, ijzige karbonkelen, eeuwige passie. Steeds de worsteling van een kosmische, centrifugale kracht, die alle banden dreigt door te breken, en, gelukkig, de rem, de reddende beknelling van den vorm.

Gelukkig: men mag het wel zeggen wanneer men Het Meisje Lea heeft gelezen, waar het vrijere proza niet onverbiddelijk aan maat en getal was gehouden.

Lea, tot de jaren van liefde gekomen, wil haar geslachtsleven uitvieren (hoe zij zich daar ook verre van radicaal bewust van zij). Wouter Elsland, die zich bij een eerste liefdesavontuur door een vrouw heeft laten nemen (in alle beteekenissen), vindt in Lea de ‘zusterziel’, zooals hij het in zijn poëtische liefdekoorts wel zeggen zou. Hij raakt haar niet aan, en waar, tijdens een wandeling door het woud, of op zijn kamer, waar hij het meisje op zijn bed neerwerpt, de natuur de bovenhand zou nemen, wint het tenslotte steeds de platoniek. Lea verlaat hem, - zij wéét niet waarom - en wanneer zij toch, op Wouter's smeekbrieven, hem weer zou gaan opzoeken, komt, op dat psychologisch moment, haar zoo pas uit den oorlog teruggekeerde broer haar een soldaat opdringen als cavalier. Samen gaan zij de woelende menigte in, die de overwinning viert, koffiehuis uit en danszaal binnen, om tenslotte te belanden - -

Doch hier juist wordt het boek een stuk lillende menschelijkheid, en ik schrijf over:

‘Moe, bedwelmd kwamen ze laat in den nacht weer thuis, waar de moeder sinds lang te rust was gegaan. Terwijl haar broeder en zijn lief ergens terecht kwamen in een ander vertrek, volgde haar cavalier haar in het salon. Stralend en uitgeput wierp zij zich op een sofa. De soldaat liet zich naast haar neer en liefkoosde haar diep. Hij was stom, grondig en brutaal. Lea, in haar overgave, perkloos en hartstochtelijk’.

Daarmede is echter ook het werk ten einde.

Mijn vriend Van de Voorde zal het mij ten goede duiden, dat ik hem voldoende waardeer om hem met de strengste woorden mijn oordeel te zeggen. Het Meisje Lea is een mislukt boek. Het is geen boek. De samenvatting die ik er van gaf is, in gemoede en zonder hoogmoed, beter dan het boek zelf, en om deze dubbele reden: dat zij evenveel zegt, en niet zonder eenige ironie. Want de dubbele fout, die het boekje volstrekt ongenietbaar maakt, is juist: de herhalingen en langdradigheid, en het gemis aan dieper inzicht van den schrijver in de ziel van zijn personages.

Langdradigheid en herhalingen. Laat ons de twee personen afzonderlijk en in hun liefdesavontuur volgen. Reeds op de eerste bladzijde heet het van Lea:

‘... als in zomeravonden soms iets vreeselijks en zoets haar intiemste nerven spande wist ze de voorteekens te ondergaan van haar menschenlot en hield zich nederig voor haar doel bereid’.

Gansch het boek door zien wij haar op dit doel wachten, onbewust en vruchteloos. Op blz. 61 wordt ons weer het meisje Lea geschetst, niet van een andere zijde bekeken, haar ziel niet dieper ontraadseld:

‘Zijn omarming en zijn kus deden haar bloed heftiger stroomen, en wijl in haar een groote volheid van leven woog, bleef haar hart onvoldaan en tot treurnis geneigd. En de ontstemming bleef hangen over haar gemoed, onbepaald, pijnlijk en dof’.

Op blz. 111 wordt de situatie misschien wat pregnanter, maar het is een Lea die wij reeds 110 blz. lang kennen, welke ons opnieuw getoond wordt:

‘Soms dook hij zijn gelaat tusschen haar hoofd en schouder en zoende haar in de molligheid van haar hals. Wijl onvoldoende werden de liefkoozingen haar onaangenaam’.

Dat men mij nu verder op mijn woord geloove: op elke bladzijde, waar van Lea spraak is, kon ik één, twee en drie zinnen aangehaald hebben, die alle en elk op zich zelf een en maar één zelfde en steeds het zelfde beeld van het meisje geven.

Wouter Elsland is met een net eendere methode ge- en herschetst. Op blz. 25 vernemen wij:

‘... hij had het leven mateloos lief, al stond hij er boven, sober en ascetisch’.

(Hij vergist zich en de schrijver vergist zich, en daar ligt de gansche oorzaak van Van de Voorde's mislukking: Wouter heeft het leven niet overwonnen. En als hij erboven staat, dan is het enkel omdat hij er nog geen kennis mee gemaakt heeft).

Op blz. 57 (ik moet er den nadruk op leggen, dat ik niet aan het pluizen ben, en even goed een andere bladzijde kon kiezen):

‘En hij zei hoe hij haar liefhad, hoe hij was als zonder lichaam naast haar; maar hoe heel zijn ziel haar omvatte en optilde naar serener regionen, weg uit deze wereld van verenging en banaliteit’.

Op blz. 95, tijdens de genoemde wandeling in het woud, is het tot een ‘woesten kus’ gekomen:

‘Maar plotse bezinning doorschichtte ontnuchterend Wouter's donkeren roes: was 't niet zijn ziel alleen die naar haar smachtte?...’

Wanneer na deze wandeling op zijn kamer hem weer voor een oogenblik de wellust in zijn macht krijgt, maar Lea tot het inzicht komt dat deze passie slechts door haar is uitgedaagd, wordt Wouter stante pede de Wouter van al de andere bladzijden:

‘Lieveling, zei hij droevig en beschaamd, lieveling, neem me niet kwalijk. Ik had me totaal over je houding misgrepen’.

Zóó deze beide personen. Zóó hun avontuur. Ner-

[p. 106]

gens een schijn van conflict: twee menschen die eenvoudig niet met elkaar in botsing kunnen komen, daar zij geen enkele plek vertoonen waar hun gevoelens, hun daden zich zouden kunnen verstrengelen. Het zijn twee glad gepolijste sferen die elkaar slechts even langs de tangente raken, en elkaar ontwijken... par la tangente. Het zijn twee albums met foto's die wij doorbladeren: Lea, hier weer Lea, en nog Lea op een zomerdag, en Lea in het woud. Hier Wouter op zijn kamer, Wouter in den maneschijn, Wouter een jaar later en niks veranderd...

O, als Lea ging raden wat er in Wouter omging, en zich naar hem zou hebben trachten te plooien, dan zou misschien het conflict in haar geboren zijn. Als Wouter zich maar een oogenblik rekenschap gaf van zijn nebulositeit, van zijn zakelijkheid waar hij over de liefde praat en praat als was hij pas veertien, dan zou het tusschen zijn blijkbaar aangeboren machteloosheid en zijn wil om Lea te doorgronden tot een prangenden strijd hebben kunnen komen. Doch neen, deze twee menschen, of beter deze twee zielen, treden op geen enkel moment naar elkaar toe, en geen worsteling, geen vlam ontspringt.

Ik wijs enkel uitvoerig op deze langdradigheid, omdat zij den grond van het kunstwerk raakt. Maar ik zou ook tallooze ongerijmde passages kunnen aanvoeren, Wouter in het ootje nemen met zijn betweterijen:

‘Zwischen uns sei Wahrheit, verlangde hij, in allusie op Goethe's Iphigenie’.

of de bladzijden tellen die de beruchte wandeling in het woud beschrijven, een eindelooze wandeling, die ons niets verder brengt in de kennis van die twee menschen; die ons nergens leidt; waar wij geen oogenblik een gevoel van ruimte krijgen of den kosmos aanvoelen; waar wij letterlijk het woud niet meer ontwaren vanwege de vele boomen, en die Wouter alleen de gelegenheid moet geven om zeer bedenkelijke, althans zeer kinderachtige, om niet te zeggen aberweise philosophie te uiten:

‘En Lea hoorde hoe hij, meegesleept door den stroom zijner gedachten, verklaarde dat hij soms vond dat 't beter ware geweest hadde de schepping het nooit verder gebracht dan zoo'n agglomeratie van plantenlevens... De boomen moeten er toen hebben uitgezien als dorre vlammen, zooals de cypressen bij Van Gogh, wiens vizie greep naar die oertijdperken terug... Nog ontsnapt ons het wezen der dingen, wijl men sinds eeuwen ontzaglijke massa's intellectueele energie heeft besteed aan 't ontleden van zijn verschijning... Wat kan ons baten die slotsom van alles, dat het leven niets zou zijn dan een electro-chemisch verschijnsel? Begin mij maar eerst te zeggen wat electriciteit eigenlijk is, wat het wezen daarvan is: dan zijn we verder...’

Het wordt waarachtig te bar. Twintig lange bladzijden achtereen (het boek telt er 140) Genesis, en Van Gogh, Shakespeare, en de Germaansche oervolken, en de gothische Kathedralen... om de boomen te bezingen. Het lijkt meer een thesis voor een archeoloog of kruidkundige. Neen, neen. die Wouter maakt te schoone opstelletjes, hij is te wijs voor een zoo jonge knaap, of te holsprakerig voor een wijs jongeling. ‘Lea luisterde bereidwillig’, getuigt ons tenslotte de schrijver, ‘maar toch was ze met haar gevoelsleven elders’.

Nou.

Gemis aan dieper inzicht, zei ik, was de andere grove en essentieele, want ook het werk in wortel, stam en tak vermolmende, fout.

Was ons inderdaad het meisje Lea geschetst als een vrouw die helaas voor niets anders vatbaar is dan voor teling; was in Wouter een abnormaal man geteekend, die den doem van zijn noodlot ondergaat... Maar de schrijver wil voor elk misverstand waarschuwen: Lea is de vrouw. En met een onverdraaglijk welbehagen wordt Wouter verheerlijkt als ‘de man in zijn puurste essentie’. Het maakt, bij het reeds pijnlijke on-avontuur van die twee ongelukkigen, wrevelig, voortdurend nog te moeten vernemen dat er in de wereld heelemaal niets anders is dan deze dubbele uiteenloopende en nooit te vereenigen drang van man en van vrouw. Men gaat vermoeden, dat men niet meer te doen heeft met Wouter en Lea, in wier bestaan wij trouwens geen oogenblik gelooven, maar met een doctrinair betoog over het door een onoverbrugbare kloof gescheiden gebied van den man en dat van de vrouw.

Het spijt me waarachtig, en dit is geen paradox, dat Van de Voorde niet een cyclus sonnetten, of zij het maar één sonnet, voldoende heeft geacht om in een machtig en overtuigend raccourci dezen roman (die slechts een gevoels-moment van een dichter is), samen te vatten. Noch is het een paradox, wanneer ik verzeker dat juist dáár een begin van roman opduikt in twee passages die de schrijver als repoussoir gebruikt. In de eerste vertelt hij, hoe Wouter's eerste minnares zich naakt en als een slet aan hem opdringt en hem, die ‘niet in staat was haar te bezitten’ in den nacht doet weghollen. Met de tweede bedoelde passage, die waar Lea zich overgeeft aan den soldaat, wordt het boek besloten. Het moet mij van het hart: die twee episodes, hoe dierlijk ook, schijnen mij minder wansmakelijk dan Wouter's en Lea's reakties in het woud en op de kamer van den jongeling. Die minnares van Wouter en die soldaat-cavalier van Lea zijn mij veel en veel menschelijker dan Wouter en Lea zelf, en veel gezonder.

 

* * *

 

Ik heb een vriend met wien ik af en toe ga biljarten. Wie de meeste carambols maakt wint, maar voor den verliezer mag dan het woord van Tollens worden ingeroepen:

[p. 107]
 
‘Men ziet naar de uitkomst niet, maar telt het doel alleen’.

Zoo heeft Van de Voorde met zijn eersten roman, in onze oogen althans, de eer niet gered. Maar voor hem kan gelden, dat hij zijn doel hoog had gesteld. Zijn pogen ging naar een lyrische paraphrase, naar een werk, dat een nieuw geluid zou geweest zijn in onze Vlaamsche romankunst. Hij zal 't wellicht verkiezen neer te zinken bij een zware taak, dan zich met een middelmatige opgave tevreden te stellen. Ook wij; en onze ontstemming over Het Meisje Lea sluit geenszins de verwachting uit, dat Van de Voorde zulk hoog doel eens en eerlang zal bereiken.

 

REIMOND HERREMAN